Geboren voor de schijnwerpers. De liefde voor de spotlight zat er al vroeg in. Waar normale baby’s huilden om melk, eiste Harry een volgspot, een rookmachine und ein podium. Stilzitten was simpelweg geen optie; Harry gaf als peuter al een compleet nieuwe definitie aan het begrip ADHD. Terwijl de buurt braaf blokfluit speelde, stonden bij hem de speakers op standje gehoorbeschadiging. Op zijn tienerkamer vocht hij een schizofrene oorlog uit: headbangen op brute metal met zijn linkerhand, de schlager-vibe erin jagen met zijn rechterhand. Het resultaat? Een muzikale nucleaire explosie.
Bloed. Zweet. En kapotte snaren. Probeer een hardcore metalhead maar eens uit te leggen dat er een schlager-vibe in zijn gitaarriff moet. Of een carnavalsvereniging dat de basgitaar hun ingewanden moet verbouwen. Het was jarenlang beuken in rammelende, zwetende oefenhokken waar de buren spontaan van gingen verhuizen. De spanning was hoog, de spanningsboog kort, maar het vuur week niet. Blijven stuiteren, blijven schrijven en blijven rammen tot de sound stond als een tank.
Totale live-anarchie. Zodra Harry de spotlight instapt met zijn mega-drukke podiumkracht, smelt de hele boel samen. De versterkers gaan op tien, de bas trilt in je bilspleet en Harry vliegt over het podium als een op hol geslagen tornado. Binnen twee minuten staat de meest hardcore metalhead met een opblaasgitaar arm in arm met een schlager-fanaat in een polonaise-moshpit. Het is volslagen idioot, het is bloedheet en die knettergekke energie van de vloer is de pure benzine voor de show. Als de tent eenmaal losgaat, is er geen houden meer aan.
De machine dendert door. De Schlagermetal-trein heeft geen remmen en de baby heeft inmiddels een overdosis cafeïne op. Er liggen nog genoeg ronkende tracks op de plank om de mensheid mee in extase te brengen en nieuwe feesttenten vakkundig te slopen. De lichten zijn scherper afgesteld dan ooit. Het volume gaat nog drie standjes omhoog. Rustig aan doen zit simpelweg niet in het systeem.